Dieren

IJver bij mannelijke en vrouwelijke konijnen

Pin
Send
Share
Send
Send


DEFINITIE VAN CUNICULTUUR:

Op de zoölogische schaal wordt het konijn ingedeeld in de klasse van zoogdieren, in de familie van leporiden en in het geslacht van de Oryctogalus, zijnde de soort Orictogalus cuniculus typisch voor Europa, het westelijke Middellandse Zeegebied en Noord-Afrika. Het tamme konijn stamt rechtstreeks af van het wilde konijn "Lepus cuniculus".
Enkele duizenden jaren geleden was het wilde konijn in overvloed in Spanje en Zuid-Frankrijk. De Romeinen hebben broedplaatsen binnen het rijk en met name in Frankrijk gepropageerd. Later waren het de monniken van Zuid-Frankrijk, die het konijn in de middeleeuwen echt hebben getemd, om het tijdens vastenperioden te kunnen consumeren. Sindsdien wordt Frankrijk beschouwd als het land dat traditioneel konijnen produceert.
Het konijn is een goede selectie huisdier. Het is schoon, volgzaam en intelligent. Het konijn wekt over de hele wereld veel bewondering op, om verschillende redenen: hij is vasthoudend en kan in bijna alle soorten situaties overleven. Vanwege het hoge geboortecijfer heeft het konijn het aantal exemplaren van zijn ras op een constant niveau kunnen houden, ondanks de tussenkomst van de mens.
Het konijn is te vinden in bijna elke regio van de wereld, van de woestijngebieden tot de ijzige poolgebieden.
Het eerste nieuws over de domesticatie van het konijn dateert uit de tijd van het Romeinse rijk, die de eersten waren die de waarde van het konijn als product of eetbare koopwaar realiseerden. De oorsprong van het tamme konijn wordt verklaard door de verschillende wijzigingen, als gevolg van huiselijkheid en selectie, dat het wilde konijn achtereenvolgens heeft geleden, waardoor er duidelijke verschillen tussen hen zijn ontstaan. Deze verschillen worden vooral aangetoond met betrekking tot de structuur van de schedel, lichaamsgrootte, kleur en textuur van de vacht en het uiterlijk van de oren, verschillen ook in bepaalde fysiologische aspecten, zoals de duur van de hitte, die in Binnenlandse producten worden het hele jaar door verlengd, waardoor hun productiviteit positief wordt beïnvloed.
Gezien de kenmerken van deze soort in termen van zijn seksuele voorloper, zijn hoge vruchtbaarheid, korte voortplantingscyclus, grote proliferatie en dierlijke eiwitten voor menselijke consumptie, is cuniculture in een paar jaar overgegaan van familieuitbuiting, waarbij het betrokken was Fokken op eigen consumptie, op industriële exploitatie.
Een klassiek voorbeeld van dit aanpassingsvermogen en snelle reproductie deed zich voor op het eiland Porto Santo, van de archipel Madeiras in 1.418. De Portugezen lieten konijnen vrij op het eiland en ze vermenigvuldigden zich zodanig dat het eiland door de inwoners moest worden verlaten. Een ander voorbeeld deed zich voor in Australië, waar konijnen door de Engelsen werden geïntroduceerd. Konijnen werden een echte plaag tot het punt dat de ziekte opzettelijk werd geïntroduceerd om de populatie konijnen te doden.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd opgemerkt dat in veel landen waar er problemen waren met voedsel, de bevolking werd aangemoedigd om deel te nemen aan gezinscommunicatie.
Tegenwoordig wordt deze soort geëxploiteerd, niet alleen voor voedsel, maar ook voor de industrialisatie van de huid.

EIGENSCHAPPEN VAN HET KONIJN

Het konijn is ongeveer de grootte van een volwassen huiskat, ongeveer 40 tot 45 centimeter lang vanaf de punt van de snuit tot de staart. Het hoofd is rond, maar het gezicht enigszins langwerpig, de snuit of neus is klein en is ingeschreven in een klein gebied van de huid, kaal en kaal, vochtig, "rhinarium" genoemd.
De relatief brede mond wordt begrensd door de lippen, die kunnen worden gescheiden om het bovenste paar scherpe tanden zichtbaar te maken. Het bovenste deel van de lip is in zijn voorste deel gespleten. Het gebied rond de mond en wangen is bedekt met lange, dunne snorren of levendige haren, die ook rond de ogen worden gevonden.
De ogen van het konijn zijn groot en zijdelings gerangschikt. De leerlingen, zeer prominent, hebben een gezichtsveld van 360º. Het is interessant om op te merken dat de ogen visuele velden hebben die elkaar ongeveer 30º van voren en 10º van achteren overlappen of overlappen.
Het konijn heeft drie oogleden: een bovenste, een onderste en een derde die kan worden gesloten om het hoornvlies te beschermen tijdens een gevecht of tegen een stofwolk. Zowel de bovenste als de onderste oogleden hebben wimpers. Het bovenste paar is ongewoon lang.
Het overheersende kenmerk van het hoofd van het konijn verwijst naar zijn lange oren of oren. Onder normale omstandigheden blijven de oren stijf of rechtop. Wanneer het konijn rent of vecht, of bang is, worden de oren verlaagd en lijnt de hoofdas uit met de lijnen van het lichaam, waardoor minder doelwit voor gevaar wordt geboden.
Het hoofd is gescheiden van het lichaam door een korte nek, zichtbaar wanneer het opgezwollen is. De voorste delen van het konijn zijn dun en dun van structuur. Wanneer het konijn gehurkt zit, blijven ze licht gebogen bij de elleboog en onder de borst.
De borst of borst wordt gescheiden van de buik door een membraan of diafragma. In de borstholte, goed beschermd door een bottenkooi van ribben, bevinden zich het hart en de longen.
De onderbuik heeft een wand van spieren, constant samengetrokken om de inwendige organen te beschermen. De flexibele wervelkolom of wervelkolom bestaat uit zeven cervicale wervels (nek), twaalf borstwervels (borst) en zeven lumbale wervels (romp). Drie sacrale wervels en verschillende kleine stroompjes ondersteunen de staart. De wervelkolom is bevestigd aan de rest van het skelet van het konijn in de schoudergordel, de rug en in het bekken. De achterpoten van het konijn zijn langwerpig en zeer sterk. In het dagelijkse leven van het veld- of boskonijn spelen ze een belangrijke rol. Het gebruik ervan tijdens de race is erg belangrijk. Ze geven het konijn een echte burst of explosie van snelheid.
De buitenste ledematen worden ook gebruikt om de aarde te graven wanneer het wilde konijn zijn ondergrondse hol voorbereidt. In feite gebruikt hij ze niet in het eigenlijke graafproces, maar als scheppen om de resterende aarde te laten verdwijnen, stapelt het opgravende konijn zich op achter zijn lichaam. Gooi de aarde achteruit met de achterpoten om de ingang van de kuil vrij te houden.
Het gevecht speelt een belangrijke rol in de levensstijl van het mannelijke konijn of de hengst. Zijn achterpoten zijn begiftigd met vier lange en krachtige vingers, elk gewapend met sterke en scherpe klauwen. Tijdens het gevecht grijpt het konijn de ander in een poging hem te darmen en steekt hij hem neer met agressieve acties van zijn achterpoten. De voorpoten, die elk vijf vingers hebben, worden gebruikt als secundaire wapens en worden soms gebruikt om het gezicht van de tegenstander te krabben.
De staart, die erg kort is, blijft verzameld naast de achterste delen. Het bestaat uit een reeks kleine en flexibele botten die deel uitmaken van de wervelkolom. De staart is bedekt met een zachte en dichte huid en wordt soms gebruikt als signaalmiddel, vooral door het vrouwelijke konijn.

Het doel van herhaalde kruisingen, van opzettelijke selecties en het fixeren van interessante mutaties, is om rassen te creëren en te perfectioneren om deze optimale reproducties te verkrijgen. Aldus wordt de veelheid aan verkregen zuivere rassen geclassificeerd op basis van hun aanleg, waardoor ze zich onderscheiden in rassen die huid produceren en rassen die haar produceren. Sommige rassen worden echter beschouwd als dubbele aanleg, dit is het geval voor de producenten van huid en haar, omdat hun vlees ook wordt gebruikt.
Op dezelfde manier worden ze meestal geclassificeerd op basis van de grootte, het gewicht en het volume van het dier, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen gigantische rassen (waarbij volwassenen een minimaal levend gewicht van 5 kg hebben), normale rassen (waarvan het minimumgewicht varieert van 2,5 tot 3, 5) en kleine rassen (niet tot 2,5 kg. Levend gewicht).
Het is raadzaam voor de nieuwe fokker om de verschillende rassen te bestuderen alvorens een voorraad te kopen. Veel factoren beïnvloeden de uiteindelijke beslissing. Het is raadzaam voor de beginnende fokker om met slechts één race te beginnen. Soms koopt de beginner twee of drie verschillende races. Elke race vereist speciale aandacht en een onervaren fokker kan niet alle problemen oplossen. Om deze redenen is het veel beter om slechts één race te selecteren en al zijn aandacht en tijd te besteden aan het behalen van goede resultaten. De uiteindelijke selectie van een race hangt af van de zorgvuldige afweging van verschillende factoren. De belangrijkste factor is om na te denken over de uiteindelijke bestemming die aan het konijn moet worden gegeven.
Hieronder geven we een overzicht van enkele van de belangrijkste konijnenrassen.

Flanders Giant
Gewicht, 6-8 kg. Kort, steil haar, grijsbruine vacht, wisselend met de verschillende bestaande variëteiten. Afgeronde kop Lange en brede, V-vormige oren met afgeronde, rechte uiteinden. Onmerkbare kieuw in het mannetje en licht in het vrouwtje. Dit ras wordt niet gebruikt voor industriële productie, omdat het vlees enigszins vezelig is, bovendien groeit het langzaam en zijn het geen erg rustieke dieren. Het wordt gebruikt als een rasverbeterend ras.

Spanje reus
Gewicht, 5-8 kg. Zilverachtige vacht, zijdeachtig, er is een witte variëteit. Hoofd groot, dik en geribbeld. Oren lang en breed, rechte en puntige uiteinden. Bruine ogen. De vrouwtjes hebben een lichte dubbele kin.

Belier
Gewicht, 5-7 kg. Er zijn 4 soorten vacht: grijs, wit en zwart en lichtgrijs en gekleurd. Het hoofd is omvangrijk en breed. Bruine ogen. Zeer lange oren, hangend aan elke kant van het hoofd, vrouwen hebben wangen.

Nieuw-Zeelander
Gewicht, 4-5 kg. Witte vacht, glanzend zacht haar, dikke en zachte huid. Afgeronde kop met korte nek. Oren afgerond aan het einde en rechtopstaand. Ogen met roze irissen. Vrouwtjes kunnen een middelgrote dubbele kin hebben. De productie is in principe vlees, maar de schil is verhandelbaar.

Californisch
Gewicht, 4-5 kg. Witte jas behalve op de snuit, oren, benen en zwarte staart. Het hoofd is afgerond met de korte nek. De oren zijn lang, rechtopstaand en afgerond aan het einde. Roze ogen. Vrouwtjes kunnen een lichte dubbele kin hebben. De productie is vlees bij uitstek.

Wenen blauw
Gewicht, 3,5 - 5 kg. Lang, glanzend, zacht haar. Donkerblauwe leisteenjas, uniform. Brede kop bij mannen, meer langwerpig en dun bij vrouwen. Oren breed, rechtopstaand, met afgeronde uiteinden. Ogen met donkerblauwe pupil en lichtblauwe iris. Dubbele aanlegrace, zeer gewaardeerd in bont.

Duitsland reus
Ideaal voor vlees- en huidproductie Gewicht tot 7 kilo

Gigantische bouscat
Uitstekend voor vlees- en huidproductie met een gewicht tot 5 en 6 kilo

Beveren blauw
Gewicht, 3,5 - 5 kg. Dik glanzend haar, intens blauwe kleur, meer grijsachtig dan in het Vienna Blue. Smalle en lange oren, rechte V-vormig, donkerblauwe ogen. Bont- en vleesras.

Bourgondië Leonado
Gewicht, 3,5 - 4,5 kg. Fawn gekleurde cape. Brede kop met korte nek. Oren breed en rechtop. Ogen met bruine iris. Gill ontwikkelde zich weinig bij vrouwen.

Normandisch
Gewicht, 3-4,5 kg. De kleur van de vacht is grijs-haas, uniform behalve in de buik, waar het donkerder is, het haar is kort, dik en dun. Het hoofd is breed en kort. De oren zijn medium, recht en licht puntig. Donkerbruine ogen. Ze mogen in geen van beide geslachten een dubbele kin hebben. Geschiktheid voor vlees en bont.

Brabant
Gewicht, 3,5 - 4 kg. De laag is zwart met witte aftekeningen, hoewel er verschillende kleuren zijn. De witte markering gaat door het hoofd naar de neus en gaat door op de snuit, tot aan de cirkel van de nek. Het uiteinde van de benen is ook wit. Groot hoofd. Grote V-vormige oren, breed en hangend in rust. Dubbele fitnessrace.

Franse vlinder
Gewicht, 3,5 - 4 kg. De laag heeft een witte achtergrond met zwarte vlekken, op de streepvormige rug, het heeft een cirkel rond de ogen en een vlindervormige vlek op de neus. De oren zijn zwart. De achterkamer van het dier zit vol met zwarte vlekken, die zich door het hele lichaam uitstrekken. Bruine ogen. Brede oren erg dik en rechtop en enigszins gescheiden. Gill erg ontwikkeld. Er zijn ook de Engelse en Zwitserse variëteiten.

Champagne zilver
Gewicht, 4,5 - 5 kg. Sterke kop, enigszins langwerpig. Oren breed, rechtopstaand en afgerond aan het uiteinde. Bruine of bruine ogen. Gill ontwikkelde zich weinig in het vrouwtje. Het haar is dun, van gemiddelde lengte. Zilverlaag, er zijn verschillende tinten afhankelijk van de variëteiten. In het lichte, deels blauwe en deels witte of zwarte haar, overwegend lang wit haar, heeft het donker de staart en het uiteinde van de zwarte poten. Het vlees is van goede kwaliteit.

Castorrex
Gewicht 3-5 kg. Het hoofd van het mannetje is sterker en minder langwerpig dan dat van het vrouwtje. Lange oren, samen en puntig. Bruine ogen. Bij het vrouwtje wordt een kleine dubbele kin getolereerd. Het moet een gebrek aan vacht of lang haar hebben, het subhaar moet dicht en zijdeachtig zijn. Bruine kleur, met de donkere zijband aan de achterkant. De buik is lichter, bijna wit. Er zijn verschillende variëteiten verkregen met zwart, wit, reekalf, etc., gebaseerd op hybridisaties, deze behouden de kleur van het kruisingras. Het vlees is van goede kwaliteit.

chinchilla
Gewicht 2-3 kg. Medium en dunne kop bij vrouwen. Middelgrote oren. rechtop en iets naar achteren gekanteld. Zwarte, grijze en witte kleur. Het haar is donker aan de basis, het is zwart en wit aan het einde, waardoor het lijkt op chinchilla. Er zijn variëteiten blauw havana en fawn. Het vlees is lekker. (Dit ras heeft niets te maken met de chinchilla van de Andes)

Habana
Gewicht, 2,5-3 kg. Dun, rond en breed hoofd. Oren recht, kort en klein. Bruine ogen. Beide seksen mogen geen dubbele kin hebben. Het haar is kort en glanzend. Havana-kleur, het is moeilijk om uniforme tonen te verkrijgen.

Russisch
Gewicht, 2-2,5 kg. Korte en brede kop, meer langwerpig bij vrouwen. Oren dun en kort, dicht bij elkaar en naar voren gegooid. Roze ogen. Ze hebben geen dubbele kin. Kort, dik en dun haar. De kleur is puur wit, met zwarte aftekeningen op de neus, oren, benen en staart. Zijn vlees is uitstekend. Uit dit ras is het Russische reuzenkonijn verkregen, van gelijke kenmerken maar van grotere grootte.

angora
Gewicht 2 kg Groot rond hoofd. De oren zijn kort, recht en gescheiden in de vorm van V. Roze ogen. Lichaam volledig bedekt met haar, dat lang, bossig en zijdeachtig is, de huid is niet zichtbaar. Afhankelijk van de variëteit is de kleur zwart, wit (dit wordt het meest gewaardeerd), grijs, donkerblauw, enzovoort.

We hebben al gesproken over de precisie die deze soort in verschillende aspecten presenteert. De meest geschikte leeftijd voor reproductie hangt af van verschillende factoren, zoals, onder andere, ras, geslacht, omgevingscondities en genetische erfenis. De kleinste rassen zijn de vroegste en bereiken seksuele volwassenheid bij vrouwen van 4,5-5 maanden en 5-6 mannen. In de gigantische rassen voor vrouwen is dit 8 maanden en voor mannen per jaar. Dieren mogen echter pas paren als ze al hun somatische ontwikkeling hebben bereikt, degenen die aan een ziekte lijden, moeten ook van reproductie worden uitgesloten.

Ovulatiecyclus
Net als bij andere tamme soorten wordt de rijping en afgifte van eitjes cyclisch en regelmatig herhaald - behalve de duur van de zwangerschap - in de konijnen worden continu of in batches geproduceerd, op voorwaarde dat de omgevingscondities gunstig zijn. Op deze manier kan bij konijnen op elk moment bevruchting plaatsvinden, zolang ze zich niet in de draagtijd bevinden. De productie van volwassen eitjes, evenals de acceptatie van het mannetje, kan worden gewijzigd vanwege variaties in omgevingsomstandigheden. Voor de afgifte van de eicel is de opwinding veroorzaakt door de seksuele handeling (geslachtsgemeenschap) noodzakelijk, hoewel het kan worden veroorzaakt door kunstmatig uitgelokte analoge stimuli.

hitte
De hitte houdt verband met de aanwezigheid van volwassen eitjes, waardoor het vrouwtje het mannetje accepteert om de koppeling te laten plaatsvinden. De uitingen van jaloezie zijn discreet, dit blijkt omdat ze op elkaar zijn gemonteerd, hun kin tegen de kooi krabben en de ruggengraat buigen. Ook varieert de vulva in uiterlijk en wordt vochtig, violet en gezwollen. Op dit moment wordt het vrouwtje naar de kooi van het mannetje gebracht, zodat de koppeling optreedt, omdat het geen vreemden in zijn kooi accepteert en het mannetje waarschijnlijk zal aanvallen of op zijn minst afwijzen.

Monta
Om de berg te laten plaatsvinden, mogen er geen externe factoren zijn die de dieren kunnen afleiden. Het is een algemene regel om getuige te zijn van de berg door de fokker, en als dit eenmaal is gedaan, moeten de spelers worden gescheiden. Er zijn vrouwtjes die zich om verschillende redenen niet laten monteren door de man, zoals het geval kan zijn bij de eerste, zodat fokkers kunnen ingrijpen door de vrouw in de juiste positie te houden zodat de man kan klimmen. Dit is het zogenaamde gedwongen paren. Eenmaal geassembleerd en de ejaculatie geproduceerd, trekt het mannetje zich gewelddadig terug en valt op de grond, waarbij het evenwicht van zijkant of rug verliest na het kreunen. Bij industriële exploitatie is het voldoende om voor elke 10 vrouwtjes een mannetje te hebben, deze kan 2 tot 3 bedekkingen maken in een half uur.

ovulatie
Ovulatie wordt gestimuleerd met geslachtsgemeenschap, die na 10-12 uur geslachtsgemeenschap zal plaatsvinden. Als er gedurende deze periode een stresssituatie optreedt, kan het zijn dat er geen ovulatie wordt uitgevoerd. Ovulatie kan ook worden veroorzaakt door kunstmatige middelen, door vaginale stimulatie veroorzaakt door het rijden van een gecastreerde man, door middel van elektrische vaginale trillingen of met gonadotrope hormonen. Deze methoden worden gebruikt om kunstmatige inseminatie te bewerkstelligen. Ovulatie varieert met de leeftijd, met genetische factoren en met de fysiologische toestand van het dier, evenals met het seizoen. In die zin zijn de gunstige seizoenen in termen van het gemiddelde aantal eitjes lente en winter, die in de herfst verminderen. Met betrekking tot de leeftijd groeit de kracht van de eisprong tussen de eerste en de derde fok, van de vierde tot de twaalfde stabiliseert en neemt af. Wat de fysiologische toestand betreft, is het aantal eitjes 15 dagen na levering groter dan onmiddellijk erna. Van de genetische factoren beïnvloedt overerving het aantal ovulaties, het percentage bevruchte eieren en het percentage embryonale mortaliteit.

Kunstmatige inseminatie
Bij deze soort is kunstmatige inseminatie niet wijdverbreid, omdat voor deze methode gespecialiseerd personeel en adequate voorzieningen vereist zijn, wat de kosten aanzienlijk verhoogt. Het is interessant, vanwege het feit dat het afstammelingen van verbeterde en bewezen mannen kan verkrijgen. Een ander voordeel is dat met het sperma van een ejaculatie tot 40 vrouwtjes kan worden bevrucht, en ook mogelijke ziekten die worden overgedragen door seksueel contact worden vermeden. Het sperma wordt verzameld in een kunstmatige vagina van een pop die konijnenhuid draagt. Eenmaal verkregen, wordt het verdund en bewaard onder de juiste omstandigheden. Dit sperma wordt in bepaalde doses in de vagina van de vrouw ingebracht, met behulp van een spuit, die eerder door de hierboven beschreven methoden tot ovulatie is geïnduceerd.

bevruchting
Het vindt plaats 10 tot 19 uur na geslachtsgemeenschap. De aldus gevormde zygoot reist de eileider naar de baarmoeder, waar deze wordt gefixeerd. Het aantal bevruchte eieren hangt af van het aantal nakomelingen.

ZWANGERSCHAP
De duur van de zwangerschap is 29 tot 31 dagen, onder normale omstandigheden. Als de levering vóór 29-30 dagen wordt gedaan, zijn dit meestal abortussen. De jongen worden dood geboren. De oorzaken van abortus kunnen van verschillende aard zijn: fysiologisch van aard als gevolg van gebrekkige voeding, of van externe aard, zoals stresssituaties. Om te bepalen of de vrouwtjes echt zijn bevrucht, wordt palpatie uitgevoerd, wat bestaat uit het waarnemen van het bestaan ​​van embryo's in de baarmoederhals. Het konijn wordt genomen en op een plat oppervlak geplaatst, met één hand onder de buik en met halfronde bewegingen van de duim en wijsvingers in het gebied van de baarmoeder, kleine rozenkransvormige knobbeltjes, de grootte van een korrel, moeten worden geplaatst van rijst, dit zijn de foetussen. Palpatie moet tussen 10 en 15 dagen na de paring worden uitgevoerd, want als het eerder is gedaan, kan het, behalve dat het bijna onmerkbaar is, de reabsorptie van de foetussen veroorzaken, als het later wordt uitgevoerd, is een onthechting waarschijnlijk, wat zou leiden tot abortus .
Wanneer bevruchting niet wordt gevolgd door ovulatie, dat wil zeggen wanneer het het gevolg is van paren met een steriele man of het gevolg is van rijden tussen vrouwen, treedt het verschijnsel op dat schijnbare zwangerschap of valse zwangerschap wordt genoemd. Het manifesteert zich ook wanneer, ondanks het bestaan ​​van bevruchting, de eicellen om verschillende redenen niet evolueren en worden geresorbeerd. Het gedrag van vrouwen die aan dit fenomeen lijden, is hetzelfde als dat van zwangere vrouwen, en net als zij wijzen ze de man af. Deze symptomen verdwijnen na ongeveer 16 dagen, waarna ze weer warm worden

geboorte
Enkele dagen voor de bevalling, van 4 tot 6, wordt een met stro geleverd nest geplaatst, zodat met deze elementen het konijn, dat het haar plukt, een nest voorbereidt dat als functie heeft de jongen tegen de kou te beschermen , waarvoor ze erg gevoelig zijn. Een bevalling vindt meestal 's nachts of bij zonsopgang plaats. De jongen gaan een voor een naar buiten, de moeder bevrijdt ze van de foetale wraps, die ze opneemt, reinigt en wikkelt ze in het nest. De volledige nestaflevering duurt tussen de 3 en 5 uur. Elk konijn kan bevallen van 1 tot 17 konijnen, variërend van dit aantal volgens ras, leeftijd, fysiologie, enz., Maar het gemiddelde is 7-9. Het is niet interessant dat de geboorte erg talrijk is, omdat het vrouwtje slechts 8 tepels heeft, dit is het ideale aantal konijnen, zodat een uniforme ontwikkeling van het nest plaatsvindt. Wanneer de geboorte talrijk is, worden de konijnen in overmaat verdeeld onder andere moeders die net bevallen zijn en minder nakomelingen hebben. De introductie van de nieuwe dieren moet zo worden gedaan dat de nieuwe ontvanger het niet waarneemt, omdat het ze anders zeker zou afwijzen. Sommige vrouwen na de bevalling kunnen het fenomeen kannibalisme vertonen, dat bestaat uit het verslinden van de jongen. Het is niet met zekerheid bekend waar dit fenomeen op reageert. Om dit te voorkomen, moet ervoor worden gezorgd dat het vrouwtje geen water tekort heeft en dat het voedsel volledig in balans is. Als dit fenomeen bij een tweede geboorte wordt herhaald, moet dat vrouwtje van reproductie worden uitgesloten.

het zogen
De melksecretie van het konijn ervaart variaties gedurende de 45 dagen dat borstvoeding wordt geacht te duren. In die zin neemt de secretie toe van postpartum tot de 10e dag, waarbij de maximale productie wordt gehandhaafd tot de 21e, op welk moment het begint te dalen. De snelheid van de afdaling wordt bepaald door de reproductiesnelheid waaraan deze wordt onderworpen. Dat wil zeggen dat in geval van zwangerschap de productie ongeveer op de 30e dag eindigt, maar als het leeg is, wordt de lactatie verlengd tot de 45e. Gezien de samenstelling van konijnenmelk, die bij gedomesticeerde zoogdieren degene is met de hoogste percentages droge stof, met eiwitten en vetten, ontwikkelen de jongen zich zeer snel en verdubbelen hun geboortegewicht in 6-7 dagen en verviervoudigen in 12 dagen.

spening
Het bestaat uit de scheiding van het nest en de moeder. Natuurlijk verlaten de konijnen tussen 15 en 20 dagen na de geboorte het nest en proberen ze het voedsel van de moeder te bijten. Op dat moment wordt het nest verwijderd. De speentijd wordt bepaald aan de hand van de toegepaste productiesnelheid, die hieronder wordt uiteengezet. Er moet echter rekening mee worden gehouden dat vroeg spenen vóór 20 dagen plaatsvindt en de maximale borstvoeding binnen 45 dagen is.

De ervaren fokker kan alle tekenen van ziekte detecteren, zelfs van buiten de kooi. Omdat je al je dieren perfect kent, kun je zien of een van hen zich niet normaal gedraagt. Sommige tekenen zijn duidelijk. De eerste indicatie is de status van uw deposito's. Als ze los zijn, moet het konijn iets hebben gegeten dat zijn maag heeft bewogen. En als de stoelgang slecht ruikt, is het mogelijk dat het iets ernstigers is dan een ongesteldheid van de maag. Je moet het zieke konijn isoleren om het zorgvuldig te onderzoeken. Het gezonde konijn moet een schone neus en heldere en levendige ogen hebben, zijn huid moet vlak en zacht zijn. Als het konijn zich voorover gebogen voelt en met zijn ogen dicht is, is er iets dat niet klopt. Het nodige moet worden gedaan om de oorzaak te diagnosticeren. Al deze maatregelen zijn van vitaal belang in het ziektepreventieproces. Voorkomen is beter dan genezen. En het stellen van een diagnose kan echter moeilijk zijn voor de beginnende fokker, het is beter om het advies van een ervaren fokker of een dierenarts in te winnen.

Scheve nek
De gebogen of kromme nek lijkt scherp als gevolg van een wond of letsel aan het binnenoor en de gevoelige organen. Het konijn kan elke leeftijd of geslacht hebben. De kop van het getroffen dier valt opzij, in ernstige gevallen is het arme dier zelfs niet in staat het evenwicht te bewaren. Het konijn beweegt in een cirkel, niet in staat om in een rechte lijn te bewegen. De wond is vrijwel zeker veroorzaakt door het konijn dat rond de kooi rent onder de impulsen van paniek of enige vorm van opwinding. Het is daarom duidelijk dat de kromme nek een gevolg is van nervositeit. Milde gevallen corrigeren zichzelf meestal binnen een paar dagen, zolang het dier in een warme en droge kooi met een gezond dieet wordt gehouden. Ernstige gevallen zijn moeilijk te herstellen en het dier moet worden geslacht.

abces
Het uiterlijk van elke vorm van bult of bult moet als verdacht worden beschouwd. Het is het abces, en als het echt is, moet het dier worden geïsoleerd totdat het barst en leegloopt. Op dit punt moeten de huid en het haar rond het abces worden gescheiden. De klont moet worden gewassen met een schone doek gedrenkt in antisepticum, waardoor een incisie wordt gemaakt in het onderste deel van het abces. Deze incisie moet de pus binnenin tijdens de behandeling vrij en volledig laten leeglopen. Het dier moet door één persoon worden vastgehouden, terwijl een ander zachtjes op het abces drukt totdat het volledig is geleegd. De afgescheiden pus moet van het hok worden weggebrand om te voorkomen dat het opnieuw een oorzaak van infectie wordt als het in contact komt met een snee of kras. De wond moet opnieuw worden gewassen met het doek gedrenkt in antisepticum en behandeld met jodiumtinctuur. De wond moet elke dag of om de andere dag worden onderzocht, met een nieuw verband. Zodra de wond is genezen, groeit het haar normaal terug.

Asclepiadea of ​​milkweedvergiftiging
Het hooi van de VS. Het kan soms dit soort gras bevatten dat aan de andere kant alleen op Amerikaanse weiden groeit. Zowel droog als vers is giftig voor alle konijnen.
Na het eten van het hooi dat dit kruid bevat, is het dier verlamd. De achterste bogen en het hoofd vallen tussen de voorpoten. De ziekte wordt "van het gevallen hoofd" genoemd en de ernst ervan hangt af van de hoeveelheid giftig gras dat het konijn heeft gegeten. In ernstige gevallen is het hele lichaam volledig verlamd. In milde gevallen worden alleen de hoofd- en nekspieren aangetast. De behandeling is erg langzaam en pijnlijk voor het konijn. De laatste moet worden aangespoord om zo vaak mogelijk te eten en te drinken, zodat hij alle mogelijke energieën terugkrijgt om het gif te bestrijden.

koude
De verkoudheid kan een ernstig probleem worden als het niet voortijdig wordt behandeld. Net als bij de mens bestaat er geen wondermiddel. Het enige dat kan worden gedaan, is ervoor zorgen dat het dier zich zo comfortabel mogelijk voelt. Konijnen die last hebben van een koude niesbui en hun hoofd schudden proberen hun neusholtes vrij te maken. Er is ook een afscheiding uit de neus en het konijn wrijft zijn neus met zijn voorpoten om te proberen zijn slijm te evacueren. De huid aan de binnenkant van de voorpoten is doordrenkt met slijm, waarna een verandering zal optreden en de huid hard zal worden. Niezen kan ook worden herkend als een oorzaak van irritatie veroorzaakt door stof of hooi. Zodra de kou voorbij is, moet het dier wegblijven van het hoofdhok. Het heeft de voorkeur om de patiënt in een warme en droge kooi onder te brengen en droge lucht te ontvangen, zonder stromingen. Het is noodzakelijk om het rantsoen van voedsel in tabletten te verminderen en in plaats daarvan het rantsoen van voedsel in groen of plantaardig te verhogen. Het gebruik van neusdruppels is nutteloos, omdat het konijn ze verdrijft voordat ze enig effect kunnen hebben. Het is beter om in de neusgaten aan te brengen, met een borstel, een mengsel van eucalyptusolie en kamferolie. Dit helpt het konijn om goed te ademen en tegelijkertijd laat het slijm stromen in plaats van op te drogen in de neus, waardoor het wordt geblokkeerd. Het oliemengsel kan ook worden aangebracht op de binnenoppervlakken van het hok evenals op alle delen die in contact kunnen komen met de dieren. Als het zieke konijn een van de dieren is die zich onderscheidt van de boerderij, mag de fokker hem niet uit het zicht laten totdat de kou voorbij is. Het kan enige tijd duren, maar het konijn zal genezen. Los animales que sufren un resfriado nunca deben tener contacto con los demás que están sanos, ni menos, desde luego, aparejarse mientras esté enfermo.

Infecciones de los ojos
El conejo doméstico es muy susceptible de adquirir infecciones en los ojos. La dolencia más frecuente es la inflamación del conducto lacrimal. Puede ser causada por el polvo o por cuerpos extraños localizados en la zona de aquel conducto y que lo bloquean completamente. La bolsa del ojo se llena completamente de agua, que rebosa y corre por las mejillas del conejo. Generalmente, sólo uno de los ojos resulta afectado, aunque pueden ser afectados ambos. La piel queda húmeda y manchada en la región del ojo y la mejilla. A veces, el pelo de la zona del ojo se desprende, exhibiendo el cutis, o epidermis que queda cuarteado o inflamado. El tratamiento consiste en baños regulares con una solución acuosa de ácido bórico. La solución, ha de aplicarse con un paño limpio de algodón o lana. También se han usado con éxito colirios destinados a las personas. Otras dolencias de los ojos pueden estar causadas por corrientes de aire, heridas en lucha y otros accidentes. A veces los recién nacidos tardan en abrir los ojos, después de la fase normal de los 10 días. Si el ojo aparece inflamado ha de bañarse con una solución muy débil de ácido bórico y agua caliente. Durante el baño, los párpados están muy blandos y generalmente pueden abrirse con una ligera presión de los dedos.

Neumonía
Aunque la neumonía suele ser rara en el conejo, a veces se presenta al haberse declarado otra enfermedad. El conejo puede quedar tan debilitado por el ataque de una enfermedad que no le quedan fuerzas para combatir la neumonía. Un cambio brusco de temperatura puede también reducir la resistencia del conejo. Pero una buena alimentación y cuidado suelen bastar para detener la neumonía, incluso durante la enfermedad. El animal afectado suele mantener la cabeza hacia atrás en su intento de respirar mejor. Es posible que aparezcan mucosidades alrededor de la boca y nariz. Decrece el apetito del conejo y se muestra indiferente y sin interés por todo cuanto sucede a su alrededor. Es mucho más seguro eliminar el conejo tan pronto como se diagnostica la enfermedad. Pero si el conejo es muy valioso, debe tratarse por medio de inyecciones que puede facilitar el veterinario local. Los tratamientos con remedios caseros son pocos satisfactorios y el tiempo es de gran importancia en estos casos. Los conejos no sometidos a tratamiento mueren al cabo de pocos días.

Jarretes inflamados (Mal de patas)
Un jarrete inflamado es, en sí mismo, un asunto sencillo, pero si no se trata en su primera fase puede convertirse en algo serio. La inflamación del jarrete sobreviene cuando se frota la piel y eventualmente se arranca bajo las patas traseras. La piel se inflama y se hace quebradiza, a veces formando escamas que se infectan por medio de cuerpos extraños. Los Rex son quizá los más expuestos a esta dolencia, entre todas las demás razas. Si no se facilita a los conejos un lecho adecuado, los animales desgastan la superficie de las patas traseras desde la punta del dedo del pie hasta la unión con el muslo. el conejo Rex tiene en esta zona sólo la cobertura de una piel muy fina. Son más afectados los conejos grandes que los pequeños, puesto que tienen patas muy delgadas y mucho más peso a soportar. Relativamente, las razas menores tienen unos soportes con mayores patas. Todos los conejos activos pueden tener inflamación de jarretes, especialmente los machos jóvenes y adultos, que están siempre pisándose sus patas. La pata se inflama y la infección, si no se trata enseguida, se extiende rápidamente. El conejo que sufre de inflamación de los jarretes se vuelve reacio a moverse en la jaula. Y su vitalidad se reduce. La zona afectada ha de mantenerse limpia en todo momento y hay que aplicar pomadas antisépticas. Para evitar posibles extensiones hay que colocar un lecho blando y espeso de paja.

Babeo
El babeo es una infección secundaria causada por abscesos en la boca del conejo. El absceso puede tener su origen en un diente malo o roto o en una sencilla infección de las encías. El conejo afectado babea, dejando caer la saliva por el maxilar inferior hacia el pecho, donde se mancha la piel. El apetito disminuye y el animal se indispone rápidamente. Poco puede hacerse en las dolencias de la boca y el animal ha de eliminarse.

Dolencias de la región anal
A veces se designa esa dolencia como quemadura o inflamación de la jaula. Se dice que procede del contacto de la suciedad con los tejidos del ano y alrededores de los órganos sexuales. La piel se inflama en esta zona. Aparecen costras que luego revientan y expanden el pus por toda la zona. Los conejos enfermos son reacios al acoplamiento. Pero si lo efectúan pueden pasar la infección del macho a la hembra o viceversa. La enfermedad no es hereditaria, ni es contagiable al hombre o a otros animales.
El tratamiento consiste en limpiar la zona afectada con una solución débil de agua jabonosa, secando cuidadosamente. Se aplica luego pomada de lanolina sobre la piel, frotando suavemente. La recuperación es lenta, pero suele lograrse.

Cara cubierta de costras
Se trata de otra infección secundaria. Parece ser producida por la toma de comprimidos de comida procedentes del ano durante la coprofagía y mientras estaba infectada la región anal. La piel de la cara y de la nariz se infecta por las bacterias, que causan inflamación y costras. El tratamiento consiste en una inyección de 150.000 unidades de penicilina G. El conejo puede volver a infectarse incluso después de este tratamiento y no terminará hasta que se haya erradicado la dolencia de la región anal.

Gusanos o lombrices
Algunos de los gusanos que infectan los conejos son los mismos que padecen los perros y los gatos. Los huevos de estos gusanos los recoge el conejo de lechos o alimentos contaminados. Cuando un huevo penetra en el cuerpo se agarra a los órganos internos, donde incuba. Los gusanos nacidos se alimentan de lo que come el conejo y causan su indisposición. A veces el gusano adulto pasa por el ano. Hay que mantener perros y gatos alejados de la conejera y nunca debe permitírseles que entren en contacto con la comida o con los lechos que utilizan los conejos. Tampoco debe permitirse que ni perros ni gatos se tiendan sobre las balas de heno o de hierba. El conejo que tenga gusanos debe aislarse, desinfectando la conejera.

Enteritis mucoidea
Esta enfermedad se designa también como hinchazón. El conejo afectado se encuentra mal en cuestión de horas después de haberse infectado. Su pelaje se torna áspero y embarullado. Los ojos se desvían y quedan opacos y sin vida, entumecidos. Puede aparecer o no la diarrea. El conejo pierde peso y puede llegar a pesar sólo una fracción de su peso normal. Los conejos jóvenes que adquieren esta enfermedad se sitúan junto al agua en posición encorvada. En casos extremos se sientan junto al agua de modo que sus patas delanteras pendan dentro de ella. En esta posición van tomando pequeños y frecuentes sorbos de agua del recipiente. El estómago se distiende y se hincha, cosa que da el nombre de la enfermedad. Desgraciadamente, el resultado corriente es la muerte. Los conejos que se recuperan no quedan, sin embargo, inmunes a la misma enfermedad y pueden volver a infectarse. No existe un tratamiento sencillo. Algunos comprimidos contienen un antibiótico que ayuda a reducir las consecuencias de esta enfermedad.

Maloclusión
La maloclusión, o defectuosa oclusión dental, o dientes de macho, es el resultado de una mala alineación de las inserciones de los extremos y de las bases de los dientes frontales. Normalmente estos dientes habrían de coincidir en los extremos, y por ello es importante que se desarrollen en forma normal. Si los extremos de los dientes no coinciden, éstos continúan creciendo hasta que toman el aspecto de colmillos de elefante. Llegan incluso a crecer fuera de la boca y pueden alcanzar proporciones tremendas si no se los controla. Un constante ajuste o limado puede, en los casos leves contribuir a mantener los dientes en su justo punto. En los casos graves el conejo ha de ser eliminado, ya que llegaría a no poder comer. La maloclusión es hereditaria. Todos los conejos que muestren esta inclinación han de eliminarse de la cría. El Holandés enano tiene más tendencia a esta malformación a causa de la configuración plana de su cara.

Mastitis
Afecta más frecuentemente a las hembras que crían que a las que no cuidan de su descendencia. La dolencia está causada por una infección de las glándulas mamarias debida a una bacteria estafilocócica. Las ubres de la hembra que cría resultan muy inflamadas. En una fase avanzada pueden volverse azules. Las glándulas mamarias se hinchan considerablemente y se vuelven duras y grumosas. El tratamiento normal es una inyección a cargo de un veterinario. La infección es más fácil de curar si se ataca en sus primeros síntomas. Si se deja llegar a fases más avanzadas, la curación es casi imposible. El conejo ha de ser eliminado. Todos los lechos, nidos, jaulas y accesorios han de ser esterilizados a fondo y el cadáver del conejo incinerado.

Pulgas y garrapatas
Ningún conejo doméstico ha de tener pulgas ni garrapatas. La buena gestión y dirección de la granja ha de garantizar que los conejos están sanos y limpios. Cabe la posibilidad de que un conejo visitante pueda traer estas pestes y dejarlas en herencia a sus huéspedes. Y aunque los conejos que se mantienen debidamente jamás llevan estos parásitos, nunca serán demasiados los cuidados. El rascarse excesivamente ha de observarse con gran sospecha. Hay que actuar rápidamente si se descubre que algún conejo tiene parásitos. En cualquier tienda o droguería se encontrarán polvos adecuados especialmente preparados para este fin. No hay que usar nunca, sin embargo, polvos insecticidas destinados a perros, que pueden ser demasiado fuertes e irritar su piel. Los polvos antipulgas han de usarse tres días seguidos para asegurar que todos los insectos, así como sus larvas o huevos, quedan destruidos.

Mixomatosis
Se trata, seguramente, de la enfermedad más conocida en los conejos. Su ataque es horrible y su acción netamente mortífera. Sobre la situación actual de esta enfermedad virósica existe una cierta controversia. Algunos han cargado la responsabilidad sobre la pulga común del conejo, mientras que otros sostienen que es transmitida por los mosquitos u otros insectos voladores.
Si se produce un brote epidémico en la localidad donde está la granja de conejos, es posible lograr la inmunidad. Puede, sin embargo, tratarse de una operación cara, y además, no siempre es seguro que se pueda contener la invasión. Lo primero es tomar las precauciones necesarias para evitar la entrada de insectos voladores en la granja. Las puertas y ventanas han de protegerse con telas metálicas de malla muy espesa. Los "sprays" contra las moscas y mosquitos no deben usarse, para no someter a los conejos a su toxicidad. Sólo en amplios recintos donde haya cantidad de aire fresco pueden usarse los vapores antiinsectos. Todavía los antiguos y pasados de moda papeles contra las moscas pueden ser el mejor método para controlar los insectos que puedan entrar en la granja. Son los papeles empapados en un pegamento que retiene los insectos. Cualquier conejo sospechoso de haber contraído la mixomatosis ha de separarse de sus compañeros. Hay que consultar con el veterinario. El conejo infectado presenta costras y escamas alrededor del ano, las orejas, los ojos, la nariz y la boca. Antes de morir, las venas se endurecen y los pulmones se congestionan. El conejo es incapaz de sostener el equilibrio de sus movimientos y muere pronto.

Heridas externas
Algún accidente puede ser causa de que el conejo resulte herido. Muchos accidentes proceden de la caída del conejo mientras se le transporta o desde el borde de una mesa o banco. Generalmente, el animal no sufre más que del shock correspondiente. Sin embargo, si el conejo efectúa una mala caída, puede fracturarse una pata. Si se sospecha que hay fractura, el conejo debe colocarse en una parte seca y caliente para reducir el efecto del choque.
Mediante una cuidadosa observación ha de verse la extensión y amplitud de la fractura y su localización exacta. Las fracturas no deben tratarse en la propia granja. Hay que procurarse los servicios de un veterinario calificado. Aparte de recomponer adecuadamente el miembro roto, el veterinario puede detectar cualquier otra herida interna que puede no ser vista por el encargado de la granja. Los cortes y los desgarros pueden tratarse en la propia granja. Hay que limpiar la herida con un paño empapado en antiséptico. Hay que cortar el pelo de la zona herida con unas tijeras bien cortantes. Si la herida es profunda y sigue sangrando a pesar de los esfuerzos para cortar la sangre, es aconsejable llamar a un veterinario cirujano que podrá suturar la herida. Cubrir la herida con un vendaje es inútil, porque el conejo lo roerá. Si la herida se mantiene limpia y libre de polvo y suciedad, se curará probablemente en pocos días.

Canibalismo
A veces la hembra que ha criado se come simplemente sus hijos, aun cuando tengan ya diez días de edad. Ello es muy decepcionante para un criador novato, pero los experimentados ya no le dan importancia. Generalmente, si la hembra está bien alimentada, no suele haber este caso. Aunque existen hembras que se comen a sus crías por bien alimentadas que estén. Sin embargo, si la hembra persiste en su actitud, hay que eliminarla, puesto que este vicio puede ser también hereditario y pasar de generación en generación. Hay que pensar en la adopción de sus crías por otra hembra si la primera se cree valiosa para la granja. Las hembras jóvenes se comen a veces a sus pequeños en sus frenéticos intentos por mantener limpia la jaula. Estas jóvenes madres pueden perdonarse por estas faltas, puesto que, generalmente, suelen no volver a caer en ello en los siguientes partos. La excesiva manipulación de los pequeños puede poner nerviosa a la hembra madre, al punto de que puede llegar a matarlos sin que, sin embargo, los coma. Esto es incomprensible, la censura ha de ser para el encargado o cuidador, por su mal comportamiento y falta de sentido común. En un término general podemos ver que la mayoría de las enfermedades, llegan muchas veces por culpa del cuidador, falta de atención, falta de limpieza, falta de cuidados en general. En consecuencia, hay que mantener el o los locales excesivamente limpios y dedicar todos los días un buen tiempo a la inspección de los conejos y particularmente a los reproductores. ¡Un criadero limpio es un criadero sano!.

CICLOS DE REPRODUCCIÓN

Para conseguir la máxima rentabilidad de la explotación es necesario establecer un programa que tenga en cuenta las posibilidades de producción de los animales, y, tanto por razones económicas como fisiológicas del animal, el ritmo de explotación ha de ser siempre el mismo. Así, los apareamientos se efectuarán regularmente, siempre con los mismos descansos. Del mismo modo se procederá al destete según el plan establecido, así como la eliminación de los animales de engorde.

Ciclo extensivo
Es el sistema utilizado tradicionalmente en las explotaciones rurales. En este sistema se efectúa la monta a los 28 días después del parto. Se considera un ciclo el período comprendido entre un parto y el siguiente que es de 58 días (30 días de gestación más 28 días de reposo), con lo que a lo largo de un año se podrán obtener 6 partos teóricos (365/58), que en la práctica se reducen a 4-5. El destete se realiza a los 40 días. Este ciclo tiene el inconveniente de ser poco productivo. Además, una lactación tan prolongada puede crear problemas en las mamas de las hembras. No obstante, es el ciclo que agota menos a las madres, dado el largo período de descanso (28 días).

Ciclo semiintensivo
Es un ciclo de 45 días, en el que la cubrición se realiza 14 días después del parto. Se obtienen teóricamente 8 partos/año, que en la práctica son 6 o 7. El destete se efectúa a los 30 días. Con este ritmo de producción se obtienen un buen número de gazapos/año y se aprovecha bien la fertilidad, aunque las conejas sufren cierto agotamiento.

Ciclo intensivo
El intervalo entre parto y cubrición es de 3 días, con lo que la duración del ciclo es de 33 días. El destete es a los 28 días, momento en que se considera ya destete precoz y tiene el inconveniente de aumentar la mortalidad de los gazapos. De este modo es como se obtiene una mayor producción, pero tiene en contra este sistema la reposición continua de las hembras, lo cual exige además más mano de obra que en los precedentes, ya que el ritmo de trabajo en la explotación aumenta considerablemente. Cualquiera que sea el ritmo de producción elegido, se han de agrupar los partos y los destetes, efectuando lotes de madres para procurar unificar los mismos y que se den dentro de un mismo día.

PRODUCCIÓN DE CARNE

Una vez terminado el período de lactación los gazapos son separados de la madre y trasladados a las jaulas de engorde. Normalmente se distribuyen agrupados en camadas. En el primer estadio del desarrollo de los gazapos (hasta las 6 semanas) el aumento de peso se realiza en forma rápida. Desde ese momento se hace más lento, coincidiendo entonces con el aumento de consumo de pienso, con lo que el índice de conversión empeora (se entiende por índice de conversión la relación entre el alimento consumido y el aumento de peso) La acumulación de grasa empieza a producirse a partir de los 2,5 kg. de peso vivo. Por todo ello, y para un mejor aprovechamiento de las jaulas, se ha de procurar sacrificar a los animales lo antes posible. Se ha determinado que el momento más oportuno económicamente para el sacrificio es cuando los animales alcanzan un peso comprendido entre los 2 y 2,8 kg, pesos que se obtienen entre las 8 y 10 semanas. El rendimiento de la canal para estos pesos es del 54 al 61% (se entiende por canal al animal muerto, pelado y sin vísceras, y por rendimiento de la canal la relación entre el peso vivo del animal y su canal). Con todo eso, las demandas del consumidor quedan asimismo satisfechas, dado que solicita carne tierna y carente de grasa, y no gusta por tanto de animales superiores a los 2 kg canal. La carne de conejo es muy rica en proteínas, es de gran digeribilidad y su porcentaje en grasa es reducido. Además en la cría del conejo no se utilizan hormonas. Las enfermedades que en ellos se pueden dar no son transmisibles al hombre. Por todo ello se convierte en un producto deseable.

PRODUCCIÓN DE PIEL

Para la obtención de pieles de buena calidad interesa que los animales no se encuentren efectuando la muda. ésta empieza a la edad de 11 semanas y se efectúa de modo paulatino, su duración es de 3 meses, coincidiendo con la estación del verano. Por ello, interesa sacrificar a los animales antes o después de que ésta se efectúe, pero sólo cuando los animales hayan alcanzado su máximo desarrollo. Para la buena calidad de las pieles se han de tener en cuenta diversos aspectos en el manejo de los animales, se ha de mantener a los animales sanos y bien alimentados, y es imprescindible una buena higiene, para lo que se procederá al cepillado, proceso que además de eliminar la suciedad y los pelos muertos estimula el crecimiento de los mismos. En lo que a ambientes se refiere, éste no ha de ser muy iluminado y el sol no debe incidir en ellos, dado que las pieles blancas amarillean y las demás cambian de tonos. Una buena ventilación contribuye a espesar la piel, cosa que también sucede en invierno dado que se incrementa el crecimiento del pelo, para así defenderse del frío. Una práctica aconsejable es la castración de los machos no reproductores ya que de este modo se aumentan la frondosidad, el brillo y la finura del pelo. Antes del sacrificio se inspecciona al animal. La piel no debe presentar manchas anormales, si presenta zonas oscuras indican que el pelo está en fase de crecimiento. En el sacrificio y degollamiento se ha de tener mucho cuidado para evitar que se aje. El proceso a seguir para obtener la piel es el siguiente: sacrificio, desuello, girado, limpieza de restos de carne y grasa, colgado y secado, tratamiento insecticida y almacenamiento en espera de las posteriores manipulaciones del curtido. La piel relacionada con el peso del animal representa un 13 %. Una piel seca puede pesar de 125 a 150 gramos. Las pieles más cotizadas son las blancas. El valor de una piel depende del largo, la densidad, la brillantez, la finura, la resistencia, y el color del pelo, del tamaño de la misma, y de su peso. En este último se basan para establecer las categorías: a más peso, más categoría. Asimismo es de gran importancia el estado de conservación.

Es cierto de que los conejos comen cualquier cosa y que pueden alimentarse de cualquier residuo sobrante de la cocina. Es verdad también, que el conejo doméstico es capaz de comer cualquier hierba o verde que se le ponga por delante, pero esto no significa que el conejo esta bien alimentado y en buenas condiciones físicas o que lo que coma sea la dieta correcta que le corresponda. Si el criador quiere tener éxito y contar con un buen plantel sano y fuerte, debe alimentar sus conejos con la comida adecuada. El criador debe basar el éxito de su emprendimiento sobre una buena y sana alimentación, sin ella, no existen posibilidades de éxito. En el pasado el conejo tenía que contentarse con la comida que encontraba a su alcance. Se les daban toda clase de grano, raíces, heno y toda comida en verde que se podía obtener. A veces se hacían mezclas de residuos vegetales, hierbas y salvado. Aunque este método era salubre hasta cierto punto, y llevaba mucho tiempo. La gran revolución en el mundo del conejo se produjo con la aparición de los primeros granulados para su alimentación. ésta fue la respuesta a los diferentes pedidos de los criadores: una dieta completa y balanceada en granulados adecuadamente duros. La primitiva ración de balanceado para conejos era, básicamente, hierbas con vitaminas y elementos minerales. Tras varios años de investigación, la moderna ración, contiene todo esto más algún forraje, proteínas animales, grasas de la leche y trazas de otros elementos. Las necesidades de nutrición del conejo no pueden reducirse a una fórmula, porque precisa distintas cantidades de cada factor, según las diferentes fases de su vida. Por ejemplo, las hembras que no están criando precisan menos proteínas que las que están dando de mamar, y la coneja que tiene un gazapo en el nido necesita más proteínas por que tiene que alimentar a su cría y mantener su propio cuerpo en buenas condiciones. Los alimentos ricos en proteínas comprenden la cebada, avena, trigo, soja, linaza, leche y cacahuetes, entre otros. Estos Alimentos contienen también grasas, pero su contenido en ellas es mucho menor que el de proteínas. Los alimentos fibrosos o forrajeros se encuentran entre las varias clases de henos y raíces como las zanahorias, nabos y remolachas.

eiwit
El término "proteína" es vago, puesto que se refiere solamente al conocido grupo de los aminoácidos que totalizan 23 sustancias nutritivas. Ninguna proteína es exactamente igual a otra, cada una de ellas representa distinto papel en la alimentación y el buen mantenimiento del cuerpo. Básicamente, las proteínas son la principal necesidad para un buen crecimiento. Son esenciales si la tasa de crecimiento ha de mantenerse dentro de un nivel constante. Es muy importante la calidad de las proteínas contenidas en cada alimento. Por ejemplo, si un alimento de 20% de proteínas es deficitario en cuanto al número de sus aminoácidos, la tasa de crecimiento de los animales nutridos con dicho alimento será menor que la de los animales criados con un alimento que contiene sólo el 15% de proteínas, pero contiene, en cambio, un porcentaje mayor de aminoácidos. Es evidente que las conejas lactantes y las crías en pleno crecimiento, se mantienen básicamente con las proteínas contenidas en los alimentos que reciben. Si en éstos no se encuentran en suficiente cantidad las proteínas necesarias del tipo adecuado, el conejo no podrá mantener la debida tasa de crecimiento de su cuerpo. La hembra que cría no podrá tampoco mantener el alto contenido en leche que necesita para criar sus pequeños.
La principal fuente de energía de los organismos vivos es un grupo de compuestos orgánicos llamados hidratos de carbono. Estos compuestos contienen sólo carbono, hidrógeno y oxígeno. Las moléculas básicas de los hidratos de carbono son simples azúcares que originan sustancias más complejas como las féculas o almidones y la celulosa. Las materias vegetales contienen celulosa y almidones, y las semillas son especialmente en almidones o féculas. Los animales tienen capacidad para descomponer los hidratos de carbono, con ayuda de las enzimas, durante la digestión, y los productos resultantes se almacenan en el cuerpo o se queman durante el metabolismo, cediendo energía y productos residuales (agua y anhídrido carbónico).

Grasas
Las sustancias grasas, como los hidratos de carbono, suministran energía al cuerpo pero a diferencia de estos últimos pueden contener otros elementos (fósforo, nitrógeno) además del carbono, oxígeno e hidrógeno, y no son solubles en agua. Los hidratos de carbono en exceso quedan almacenados en el cuerpo en forma de grasa y, cuando resulta necesaria ésta, se descomponen durante el proceso del movimiento y las demás acciones relacionadas con la vida cotidiana. Un exceso de grasa almacenada se convierte en peso adicional. Ejemplo de ello puede observarse en los procesos de hibernación de algunos animales. Durante las estaciones cálidas del año, cuando se encuentra mayor cantidad de comida, el animal come hasta ponerse completamente gordo. Cuando llega la estación fría el animal se echa a dormir. Durante este profundo sueño la respiración disminuye, pero como sigue necesitando energías para mantener vivo el cuerpo, echa mano poco a poco de las reservas de grasa almacenadas. Cuando llega la primavera el animal está muy delgado. Y una vez más volverá a comer todo lo que pueda a fin de prepararse para el invierno siguiente. Aunque los conejos no hibernan, su exceso de grasa se almacena de forma pareja. Las hembras de cría demasiado gordas, y por tanto sin condiciones para criar, no se acoplan realmente, y si lo hacen las posibilidades de concebir son remotas. La grasa hace asimismo difícil el alumbramiento de sus crías.

Fibras
Las fibras se encuentran en los tallos y en las hojas de muchas plantas. La fibra es un material generalmente no digerible, pero representa un papel vital en el metabolismo del cuerpo. La fibra, que añade volumen a los alimentos, se divide en digerible y no digerible. En el conejo, la fibra no digerible se transforma en el cuerpo en bolas fecales. Las fibras digeribles se transforman en el cuerpo del conejo a partir de las no digeribles y, durante la coprofagía vuelven a reincorporarse al cuerpo. Los alimentos voluminosos tienen menor valor alimenticio, en consecuencia, se necesitan mayores cantidades de estos tipos de alimentos para suministrar al cuerpo las propiedades vitales precisas para mantenerlo en buenas condiciones. El heno o hierba seca es muy rico en fibras, pero algunos tipos contienen mayores cantidades que otros. El heno viejo tiene menos fibra digerible que el cortado recientemente. La hierba o el heno que tiene hojas tiene mayor valor nutritivo que el que es todo tallo y rastrojo. El heno o hierba leguminosa es heno recogido cuando el grano ha sido ya cosechado. Es mucho más rico en sustancias nutrientes que el heno preparado a base de hierbas solamente. El conejo come hierba cuando no sigue el régimen de balanceado y de grano. El heno tiene por tanto su valor en los períodos de calor excesivo, cuando el conejo come menos. Como norma general, debe darse hierba o heno a los conejos por lo menos una vez por semana.

Vitaminas
Las vitaminas son esenciales para mantener el cuerpo en buen estado. En términos generales, las vitaminas se dividen en seis grupos principales. Se asigna una letra a cada uno de dichos grupos.

Vitamina A
El conejo puede fabricar su propia vitamina A a partir de los vegetales frescos. La vitamina A necesaria para el crecimiento del cuerpo del conejo, se encuentra también en los aceites del hígado de los pescados. La fatiga nerviosa se ha atribuido a la falta de vitamina A. Se sabe también que los conejos que tienen deficiencia de vitamina A son más susceptibles ante ciertos desórdenes nerviosos. El llamado cuello torcido o doblado y algunos otros trastornos acompañados por ataques nerviosos se achacan a la falta de vitamina A.

Vitamina C
Presente en los frutos agrios, esta vitamina es sintetizada por el propio conejo, por lo que éste no acusará carencia de la misma.

Vitamina D
Esta vitamina tiene que formar parte de la dieta suplementaria del animal. Puede hallarse en el heno o en la hierba, pero no en las cantidades suficientes para excluir la adición de ésta vitamina a la comida del conejo. Alguna pequeña cantidad añadida a las comidas origina la retención del calcio en la sangre, cosa que es necesaria para el normal crecimiento de los huesos. Los conejos privados de vitamina D pueden contraer el raquitismo.

Vitamina E
Los granos de los cereales, los vegetales frescos y los gérmenes de los cereales son todos ellos ricos en vitamina E. Si se añade demasiado aceite de hígado de bacalao a la dieta del conejo, puede destruirse el total contenido de vitamina E de la comida, dejando al conejo en situación deficitaria de esta importante vitamina. La distrofia muscular se origina por la falta de vitamina E, y en los casos serios se ve afectada la fecundidad de las hembras que crían.

Vitamina K
Los alimentos en forma de comprimidos contienen gran cantidad de vitamina K. Es importante para el crecimiento de la piel y desarrollo del pelo. La sarna y otros trastornos de la piel son el resultado directo de omitir la vitamina K de la dieta del conejo.

Alimentos
Para mantener sanos los conejos, el criador precisa comprender toda la información relativa a las necesidades de alimentación de sus animales. Debe también saber qué alimentos debe facilitarles, a fin de obtener los mejores resultados.

Granulados balanceados
Los granulados balanceados son quizá los más populares entre los alimentos de hoy día para los conejos. Los balanceados se preparan a base de ingredientes de alta calidad y se formulan con la idea de facilitar al conejo una dieta equilibrada en forma de género de fácil preparación. Estos alimentos pueden variar de fabricación y lo mejor es tratar de mantener el equilibrio en la alimentación de los conejos. Por ello, cuando la dieta se basa exclusivamente en granulados balanceados, es aconsejable mezclar los procedentes de una partida adquirida con los procedentes de una nueva compra. Los posibles cambios entre una y otra fabricación se reducen y con ello se evitan pequeños trastornos estomacales.
También suelen variar el color. Aunque generalmente fluctúan entre diversas tonalidades del verde, algunos son muy oscuros, mientras otros son más claros de color. El color varía con las especificaciones del fabricante. Un buen comprimido es duro y no debe desmenuzarse cuando se estruja con la mano. El polvo es inevitable, pero debe reducirse al mínimo. Los granulados son fáciles de almacenar y deben estar siempre secos. Cuando los granulados forman la mayor parte de la dieta, hay que añadirle siempre heno o hierba de manera que se mantenga un nivel constante de forraje.

Avena
La avena se ha usado durante muchos años como comida para el conejo. Sus copos son ricos en proteínas y tienen un gran valor alimenticio. Los de buena calidad son de color dorado, y cada lote debe contener un mínimo de residuos o paja desmenuzada. Mientras la avena triturada se prefiere a veces al grano o al copo entero, la triturada contiene mayor cantidad de residuos y el conejo puede encontrarse confundido para decidir qué parte es la que va a comer. La mezcla de avena y granulados es una combinación muy popular como dieta para el conejo, en Inglaterra, y se alimenta con ella a la mayor parte de los conejos dedicados a las exposiciones.

Trigo
El trigo forma parte, junto con la avena, de muchas dietas para conejos. El trigo es muy rico en vitamina E y es también muy generoso en proteínas naturales. Demasiado trigo puede originar en el cuerpo un calor excesivo. Si en estas circunstancias, se sigue dando trigo como alimento, se llegaría a que el conejo encontrará desagradable al paladar la comida que se le suministra. Como en la avena, el grano debe estar entero y tener un buen color dorado con escaso residuo. El grano debe ser redondo y sano.

Cebada
La cebada es otro buen alimento para los conejos de exposición. Es también muy útil para formar la buena y dura carne necesaria para los conejos polacos y la liebre belga y plateada. Aunque tenga ligeramente menos valor nutritivo que la avena o el trigo, sigue siendo un buen alimento y puede añadirse en pequeñas cantidades a la dieta.

maïs
El maíz se añade raramente a la comida del conejo, excepto en mezclas baratas o alimentaciones especiales. El maíz puede hallarse con frecuencia en la alimentación para gallinas o aves. Cuando se da a los conejos es un condicionante útil.

Semilla de girasol
Esta semilla no se utiliza con mucha frecuencia por parte del criador de conejos. No obstante, ayuda a calentar el cuerpo del conejo y puede utilizarse durante la muda o cuando una hembra reluctante ha de ponerse en condiciones de criar. Un exceso de girasol puede ocasionar un sobrecalentamiento de la sangre, por lo cual debe usarse con moderación.

Linaza
La linaza puede usarse en dosis análogas a las de la semilla de girasol. Es muy aceitosa y tiene también efectos caloríferos. Durante muchos años se ha recomendado como un coadyuvante para la muda. Aunque tiene también un efecto laxante da también a la capa un brillo o lustre suplementarios.

Pan
El pan seco se da a menudo a los conejos. Cuando ha sido cocido muy duro puede ser útil como variación de la dieta usual de comprimidos y avena. También facilitará al conejo un medio en el que ejercitar sus dientes. Nunca hay que dar al conejo pan tierno, porque lo rechazará y lo dejará, sucio, si se abandona cierto tiempo en la conejera. El pan rancio puede dársele, después de haberlo tenido en la estufa o en el horno. El pan enmohecido nunca debe darse a los conejos. El pan moreno o integral es de mayor valor alimenticio para el conejo que el pan blanco, puesto que contiene más germen de trigo.

Wat is ijver?

El celo es el período durante el cual un animal es fértil. Por lo tanto, las hembras podrán quedarse embarazadas y los machos estarán en disposición de fecundarlas. Los celos son diferentes según la especie. Por ejemplo, las perras serán fértiles unos cuantos días durante un par de veces al año y manifiestan que el período se aproxima con un sangrado de hasta tres semanas de duración. En cambio, las gatas y las conejas presentan una ovulación inducida durante la cópula dentro de un período de celo que se mantiene prácticamente todo el año y que no implica ningún sangrado. En los siguientes apartados desarrollaremos las características fundamentales del celo en conejos machos y hembras.

El celo en los conejos machos

¿Los conejos machos se ponen en celo? Sí. Los conejos son unos animales conocidos por su precocidad y velocidad a la hora de reproducirse. Con algunas variaciones, los conejos machos pueden ser sexualmente maduros a la corta edad de 4-6 meses. Hay que tener en cuenta que su esperanza de vida es de unos 8-10 años. No tienen períodos de celo, sino que, desde ese momento, se mantienen en un constante celo, eso sí, con picos de mayor y menor actividad. Este hecho se traduce en una serie de cambios en su gedrag, como son los siguientes:

  • Marcaje con orina. Nuestro conejo, aunque hasta el momento haya sido muy limpio, comenzará a marcar, por aspersión, cualquier objeto o material a su alcance. Además, la orina tendrá un olor fuerte.
  • Monta, como comportamiento característico. El conejo buscará, siguiendo su instinto, objetos para ello, pero, también, intentará encaramarse a nuestras manos, brazos o pies.
  • Agresividad y territorialidad. Aunque hasta el momento nuestro conejo haya sido cariñoso y encantador, a partir de su celo puede mostrar conductas agresivas, llegando al punto de ser difícil manipularlo.
  • rusteloosheid, que se puede presentar como un continuo movimiento a nuestro alrededor mientras emite un sonido similar a un zumbido.
  • Aumentan los mordiscos y destrozos, así como el acto de escarbar.

Todas estas manifestaciones, como es de suponer, le causan a nuestro conejo un estrés considerable. Es por ello, y el resto de inconvenientes, que se suele optar por la castración. La esterilización se recomienda para evitar los problemas del celo en conejos machos y hembras, especialmente en estas últimas, como veremos en el siguiente apartado.

El celo en las conejas

Al igual que en el caso de los conejos machos, las conejas maduran sexualmente muy pronto. Hay variaciones pero el primer celo en conejas puede iniciarse entre los 4-6 meses y mantenerse durante toda su vida, con momentos de menor o mayor actividad. Las conejas no van a presentar ningún tipo de sangrado durante el celo, de hecho, que manchen es motivo de consulta veterinaria.

Los síntomas de una coneja en celo van a ser muy similares a los que presentan los conejos machos, es decir, encontraremos marcaje con orina, inquietud, cierta agresividad y monta. Además, podremos observar, si nos fijamos, que su vulva aparece bien visible y de un color rojizo-púrpura. Si se produce el embarazo este durará unos 30 días, al término de los cuales parirán de 1 a 5 gazapos. Es muy importante saber que el período de lactancia no inhibe el celo, es decir, tras parir, la coneja puede volver a quedarse embarazada. Por lo tanto, si tenemos conejos de ambos sexos juntos y sin esterilizar, la población puede dispararse en muy poco tiempo.

Además de los cambios de comportamiento que supone el celo, las conejas desarrollan en un elevado porcentaje tumores uterinos como el adenocarcinoma, que puede hacer peligrar su vida. De ahí que se recomiende su esterilización temprana, ya que, con la edad, el riesgo va aumentando. Como vemos, el celo en conejos machos y hembras puede suponer un serio problema de convivencia que lleva incluso al abandono, en el caso de los cuidadores más desaprensivos. Por ello, es muy importante recalcar que tiene solución, como detallaremos más adelante.

¿Cuánto dura el celo en conejos?

No hay un tiempo establecido que indique la duración exacta del celo en conejos, sino que, una vez alcanzada la madurez sexual, están en celo prácticamente todo el año. Tal y como hemos explicado en los apartados anteriores, tanto machos como hembras, experimentan episodios de mayor o menor actividad sexual, pero pueden estar en celo en cualquier momento.

La importancia de la esterilización en conejos

Como hemos ido diciendo, el celo de los conejos machos y hembras es responsable de cambios en su comportamiento. Agresividad, marcaje o monta son actividades que no solo resultan molestas para el cuidador, sino que causan estrés al animal, por no hablar de los serios problemas de salud. Como el período de celo en conejos es prácticamente permanente, es más que recomendable la esterilización, pudiendo realizarse esta hacia los 6 meses de vida o, en los machos, en el momento en el que descienden los testículos. En ellos es una operación muy sencilla que consiste en la extracción de los testículos. En las hembras, al tratarse de órganos internos como el útero o los ovarios, la intervención es algo más compleja. Aun así, en ambos casos no se requiere hospitalización y los conejos pueden recuperarse en su casa, ya que así se reduce el estrés de encontrarse en un lugar extraño y, por lo tanto, se favorece su restablecimiento.

Si decidimos esterilizar al conejo, en casa deberemos administrarle antibióticos para evitar infecciones y analgésicos para impedir que sienta dolor, muy importante, ya que, con dolor, son animales que dejan de comer. También debemos mantenerle el lecho bien limpio y, mejor, con papel, para reducir la contaminación potencial que pueda infectar la herida. Los efectos de la operación no son inmediatos, por lo que debemos tener paciencia, ya que podemos tardar incluso algunos meses en recuperar a nuestro conejo tranquilo y cariñoso. Es muy importante que la esterilización la realice un veterinario formado en estos pequeños animales, cada vez más presentes en nuestros hogares.

Dit artikel is puur informatief, op ExpertAnimal.com hebben we geen bevoegdheid om veterinaire behandelingen voor te schrijven of een diagnose te stellen. Wij nodigen u uit om uw huisdier naar de dierenarts te brengen voor het geval hij een aandoening of ongemak vertoont.

Als u meer soortgelijke artikelen wilt lezen Celo en conejos machos y hembras, raden we u aan naar onze sectie Andere gezondheidsproblemen te gaan.

Video: Koi. Koihuntverslag Arts&Ants okt-nov 2018 deel 4 (Juli- 2021).

Pin
Send
Share
Send
Send